Opvoeden kan alleen in de tijdsgeest die er dan heerst

Tussen schuld en begrip ligt de erkenning. Opvoeden weerspiegelt altijd de waarden van haar generatie.
Soms zit ik hier en denk ik: hoe is het toch zover gekomen? Niet met boosheid, niet meer in ieder geval. Maar gewoon met die stille vraag die blijft hangen. Ik heb gedaan wat ik kon. Ik heb gegeven wat ik had.
En toch is er een lege stoel.
Wat me het meest raakt, is niet alleen het verlies zelf. Het is het gevoel dat ik ergens schuldig ben aan iets wat ik niet eens helemaal begrijp. Dat ik beoordeeld word op een manier dat niet klopt met wie ik ben, met hoe ik geleefd heb, met alles wat ik in stilte gedragen heb.
En dan beginnen de vragen. Was ik niet goed genoeg? Had ik anders moeten zijn? Heb ik iets gemist?
Ik denk dat veel ouders van volwassen kinderen die vragen wel kennen.
Daarom wil ik het vandaag hebben over iets wat me al een tijdje bezighoudt: de manier waarop we als ouders beoordeeld worden. En hoe weinig eerlijk dat soms is.
De moeder als schuldige, dat is geen toeval
Lang geleden, en met "lang" bedoel ik eigenlijk gewoon de decennia van onze eigen jeugd, werd hechting bijna automatisch gekoppeld aan de moeder. De hele theorie draaide om die ene band: moeder en kind. Alle andere relaties waren bijzaak. En als er iets misliep, wees de professionele hulpverlening ook steevast in die richting. Therapeuten, kinderpsychologen, schoolbegeleiders, ze keken allemaal naar dezelfde persoon. Was ze genoeg aanwezig? Genoeg warm? Genoeg consequent? Alsof daar het antwoord op elke vraag moest liggen.
De vader? Die stond vroeger in de wachtzaal een sigaar te roken. Dat hoorde nu eenmaal zo. Mijn eigen vader, geboren in 1920, was bij mijn geboorte aanwezig. Dat was voor die tijd een bewuste, vooruitstrevende keuze. En hij was zelf als kleine jongen al naar een kostschool gestuurd, want men geloofde toen rotsvast dat een kind dat vroeg van zijn moeder losgemaakt werd, sterker en zelfstandiger zou opgroeien. Afstand als opvoedmethode.
Dat klinkt ons nu vreemd in de oren. Maar toen was het gewoon zo.
Vandaag weten we meer. Of toch?
De wetenschap is geëvolueerd. Vandaag weet men dat kinderen meerdere hechtingsfiguren kunnen hebben. Niet alleen mama, maar ook papa, plusouders, grootouders, leerkrachten, opvangfiguren, noem maar op. Wat telt is of die volwassene beschikbaar is, gevoelig is, betrouwbaar is. En men weet nu ook dat hechtingspatronen niet voor altijd vastliggen na de eerste vijf jaar. Ze kunnen veranderen. Groeien. Herstellen.
Goed nieuws dus, toch?
Tja. In theorie wel. Maar maatschappelijke verwachtingen veranderen trager dan wetenschappelijke inzichten. Want in de praktijk wordt er nog altijd vaker naar de moeder gekeken als een kind het moeilijk heeft. Op school, bij de dokter, in de familie. Vaders krijgen soms nog lof voor dingen die bij moeders als vanzelfsprekend worden beschouwd.
Drie generaties naast elkaar
Wat ik zo fascinerend vind, en tegelijk ook zo pijnlijk soms, is dat we eigenlijk altijd als drie generaties naast elkaar leven. Mijn vader groeide op in een tijd waarin afstand als deugd gezien werd. Wij groeiden op in een tijd waarin de moeder alles moest zijn en automatisch schuldig was als het niet klopte. En onze kinderen groeien op in een tijd waarin begrippen zoals trauma, grenzen, emotionele beschikbaarheid en validatie heel gewoon zijn.
Dat is op zich schitterend. Echt. Ervaringen die vroeger genegeerd werden, krijgen nu erkenning. Mensen leren beter voor zichzelf zorgen.
Maar er zit ook een risico in. Want die nieuwe inzichten worden soms gebruikt om het verleden te beoordelen alsof we toen al beschikten over de kennis van nu. En dat klopt niet. Dat is niet eerlijk. Wij hebben gedaan wat wij konden, met wat we wisten, in de tijd en de omstandigheden waarin we leefden.
Sociale media doen er nog een schepje bovenop
En dan is er nog dat. De onlinegemeenschappen waar individuele beleving en persoonlijke rechten centraal staan. Waar iemand snel leert: mijn gevoel is mijn waarheid, en als ik me gekwetst voel, is er iemand schuldig.
Ik wil dat niet wegredeneren. Gevoelens zijn echt. Maar nuance verdwijnt snel in een WhatsApp-berichtje. Familieverhalen die eigenlijk lagen van betekenis hebben, worden soms herleid tot een paar harde woorden zonder context. En dan kan een kind, dat eigenlijk gewoon worstelt met zijn eigen leven, zijn eigen verleden beginnen herbekijken door een heel ander, scherper vergrootglas.
Niet per se omdat het zo is. Maar omdat de omgeving dat denkkader aanreikt. Een middengeneratie zit gekneld tussen twee generaties. En wij, als ouders, merken dat soms pas als het al te laat is. Als de afstand er al is. Als de lege stoel er al staat.
Wat ik wil zeggen
Elke generatie beoordeelt haar ouders vanuit de normen van haar eigen tijd. Dat is onvermijdelijk. Maar het is goed om dat te beseffen, aan beide kanten.
Want over vijftig jaar, wie weet, zullen onze kleinkinderen terugkijken op deze tijd en zich afvragen of ouders niet te veel bezig waren met emotionele monitoring. Of waarom kinderen zo weinig ruimte kregen om zelfstandig conflicten op te lossen.
Dat weten we niet. Dat kunnen we niet weten.
Wat we wel weten: opvoeden doe je altijd in je eigen tijd. Met je eigen bagage. Je eigen kennis. Je eigen goesting om het goed te doen.
En dat verdient minstens begrip.
Tot slot
Die lege stoel staat er nog. Dat verandert niet zomaar door inzichten of theorieën. Maar ik heb geleerd, langzaam en niet altijd makkelijk, dat ik mezelf niet hoef te blijven berechten voor een vonnis dat gebouwd is op de normen van een andere tijd.
We zijn allemaal kinderen van onze tijd. Onze ouders waren dat. Wij zijn dat. Onze kinderen zijn dat ook, al beseffen ze het misschien nog niet.
Misschien is dat het enige wat echt telt: dat je het geprobeerd hebt, met wat je had, in de tijd die je gegeven was. Niet perfect. Maar met liefde.
En de pijn van die lege stoel, die draag ik.
